Het voorvoegsel ber-  (2)


Voor de liefhebber volgt hier een opsomming van betekenissen van woorden die met het voorvoegsel ber- beginnen:

1. Bezit, eigenschap (ber + zelfstandig naamwoord)
2. Iets dragen
3. Zich door middel van iets vervoeren/verplaatsen
4. Zich gedragen als
5. Beroep, de kost verdienen
6. Een wederzijdse actie (ber + dubbele stamwoord + -an)
7. Iets doen voor zichzelf
8. Iets vieren
9. Iets verwerven
10. Iets uiten
11. Een handeling verrichten (zoals aangegeven in het stamwoord)
12. Een veelheid
13. Gebruik maken van
14. Een bepaalde eigenschap bezitten (hebben)- af te leiden uit het bijvoeglijk naamwoord
1. rambut Zij heeft blond haar. Dia berambut pirang.
warna (kleur) rood van kleur, met een rode kleur, roodgekleurd. berwarna merah.
uang (geld) Hij is een gefortuneerd man. Dia orang beruang.
(Nb. het zsnw beruang = beer)
hasil (resultaat, opbrengst) Dia berhasil. Hij heeft succes
2. kacamata T. draagt een bril T. berkacamata.
3. sepeda Ik ga met de fiets naar school Saya bersepeda ke sekolah.
4. tukang Hij werkt als handwerkman. Dia bertukang.
5. jual Hij verkoopt fruit. Dia berjual buah-buahan.
6. salaman Wij schudden elkaar de hand. Kami bersalaman.
7. cukur H. is zich aan het scheren. H. sedang bercukur.
8. ulang tahun Vandaag is K. jarig Hari ini K. berulang-tahun
9. hadiah Wie kreeg de eerste prijs? Siapa berhadiah pertama?
10. kata Ik zei "Nee" Saya berkata "Tidak."
kata Mevrouw zei "Ik moet naar de markt." Ibu berkata "Saya harus ke pasar."
11. (main) judi
libur
- Zij gokken dag en nacht
- Ik ben op vakantie
- Mereka berjudi sehari semalam
- Saya berlibur ...
12. gemerlap Duizenden sterren twinkelen aan de hemel Ribuan bintang bergemerlapan di langit.
13. bahasa Spreek jij Engels? Kamu berbahasa Inggris?
14. diam Hasan houdt zich stil Hasan berdiam

Conversatie


A. Apa Bu Asri sudah bersuami? Is mevrouw Asri al getrouwd?
Heeft mevrouw Asri al een man?
B. Sudah. Dan sudah beranak juga. Ja, ze is al getrouwd. En ze heeft ook
kinderen.
A. Berapa anaknya? Hoeveel kinderen heeft zij?
B. Dua. Twee.
A. Apakah Bu Asri bekerja di kantor? Werkt mevrouw Amir op een kantoor?
B. Ya, dia manajer bank.
   Dia bergaji besar.
Ja, zij is directeur van een bank.
Zij heeft een groot salaris.
A. Tak heran. Dia berumah besar
    dan bagus.
Dat verbaast mij niet (Niets te verwonderen)
Zij heeft een groot en mooi huis.
B. Dan bermobil Mercedes juga. En zij bezit ook een Mercedes.
A. Dia berbahagia! Zij is gelukkig!
B. Ya, suaminya bekerja juga.
    Jadi mereka banyak uang.
Ja, haar man werkt ook.
Zij hebben dus veel geld.

 

Omdat de vorm met ber- erg formeel is zult u het in de dagelijkse omgang ook nauwelijks horen.
Anak kecil itu sedang bermain-main - Dat kind is aan het spelen wordt
"Anak kecil itu sedang main" of "lagi main".

<< Vorige pagina